18-01-07

Twiggies

Verhaaltje voor ca. 8 jaar

Karim en Elsje maken in een bos kennis met een vreemde man met een lange paarse jas. 
Hij was bang, zei hij. Heel erg bang. Karim en Elsje willen hem graag helpen, maar hoe? En wat maakt hem zo bang?
Samen met hem openen ze een piepkleine deur in een boom.

1.

‘Nu moet jij,’ lacht Elsje. ‘Ga met je ogen dicht tegen de boom staan en tel tot dertig. Pas dan mag je je ogen weer openen en moet je mij zoeken.’

Karim vindt het maar niks. Hij haat dit spelletje. Je verstoppen in dit enorme bos is een makkie. De bomen hebben grote stammen waarachter je helemaal kan verdwijnen en je kan makkelijk op de takken klimmen en in de bladeren verdwijnen. En dan zijn er nog die oude muren van het vervallen kasteel. Als Elsje zich niet zelf vertoont, raakt Karim nooit op tijd thuis en krijgt hij van pa straks weer een bolwassing.
Maar Elsje wou voor hem als keeper in de goal staan zodat hij zijn strafschoppen kon trappen. Wel twintig keer moest ze in de struiken achter het vangnet op zoek naar de bal. Haar benen zitten vol schrammen nu. Hij had met haar te doen toen hij het bloed op haar kuiten zag. Dus moet hij nu ook maar eens verstoppertje met haar spelen. Ze is zijn beste vriendin. Alleen jammer dat ze niet graag voetbalt.
Het wordt muisstil als hij met zijn handen voor de ogen tegen de boom leunt. Hij telt in stilte, maar bij tien roept hij zo hard als hij kan. Zijn stem echoot in het bos. Dan telt hij in gedachten weer verder.
… elf, twaalf, dertien, veertien…
Hé, wat ziet hij daar beneden tegen de boom? Dat had hij daarstraks niet opgemerkt. Het lijkt een wegwijzer, maar dan een hele kleine. Een pijltje.
Eerst verder tellen, hij kijkt straks wel.
… zeventien, achttien, negentien…
‘Twintig!’ roept hij weer hard. Het hele bos hoort hem, maar hij denkt niet dat er op Elsje en hij na nog iemand is. Hij vond het altijd al zo vreemd. Een heus bos bij hem om de hoek en niemand die er zich durft te vertonen. Ook zijn pa zegt het wel eens. ‘Ga maar niet te vaak in dat bos ronddwalen,’ moppert hij vaak.
Karim wil verder tellen, maar een stekelige pijn aan zijn knie houdt hem tegen. Hij slaat er met zijn hand op. Smerige muggen, denk hij.
… eenentwintig, tweeëntwin…
‘Auw!’ Verdomme…!’
Hij kreunt van de pijn. Weer zo’n beest op zijn knie.
Hij kijkt met een half oog. En dan met een heel, want wat hij ziet is geen mug. Het lijkt wel een wandelende tak. Een smal langwerpig insect dat kort en hevig op zijn knie prikt.
Hij houdt op met tellen en buigt zich tot bij het dier.
Dit is geen gewoon insect, ziet hij nu. Het kleine diertje is heel harig en heeft een kleur die hij niet kent. Het lijkt het meest op paars, maar dat is het niet. Ook geen rood of oranje. Iets ertussen. Als hij heel goed kijkt, ziet Karim twee armen, twee benen, een hoofd met een neus, twee oren, twee ogen en een mond. Het diertje houdt op met prikken als Karim nog wat dichter komt met zijn gezicht.
Karim verstijft. De kleine minioogjes van het insect kijken smekend in die van hem. Het diertje zegt iets, maar hij hoort niets. Hij gaat nog dichter bij de mond en houdt zijn adem in. Hij hoort iets. Een zacht gesis. Het diertje glijdt ineens over Karims been naar beneden, over zijn schoen, door het oog van zijn veter tot bij de boom. Het gaat bij het pijltje van daarstraks staan.
‘Zeg, waar blijf je? Je hield gewoon op met tellen, jij! Niet leuk hoor, flauwerik…’
Elsje is er ineens. Karim neemt haar vast en houdt zijn vinger voor haar mond. Hij wenkt haar om bij hem te komen zitten.
Snel krijgt ze het diertje ook in de gaten.
‘Het lijkt wel of we moeten volgen…’
‘Volgen? We kunnen toch niet tegen die boom lopen nu. Of wil je dat ik straks ook vol schrammen zit?’ fluistert Karim.
Het diertje wijst naar de boom.
Karim neemt zijn smartphone, knippert zijn zaklamp aan en gaat op de grond liggen.
‘Dit kan niet…’ zegt hij.
Elsje gaat naast hem liggen. Nu ziet ze het ook. Er is een deurtje in de stam van de boom. Een piepklein houten deurtje met een klink en een brievenbus. Het diertje opent de deur, gaat binnen in de donkere opening staan en kijkt achterom.
Het zwaait met zijn arm en zijn mond gaat open. Weer zijn er de smekende ogen.
‘Het wil echt dat we binnengaan!’ zegt Elsje.
‘Doe nu niet zo gek,’ zegt Karim. ‘Hoe kunnen we nu in godsnaam…’
Hij knippert met zijn wijsvinger tegen het deurtje. Hij voelt warme, hevige wind op zijn lichaam. Hij moet even zijn ogen sluiten, zo hard is de luchtstroom om hem heen. Het lijkt wel alsof een storm hem voortstuwt. Wanneer hij zijn ogen weer opent, ziet hij een vreemde persoon met een paarse mantel en lang rood haar naast hem.
‘Waar ben ik…?’ roept Karim verdwaasd. Hij wil weglopen, maar hij ziet geen deur en voor hem is alleen een donkere opening.
De man naast hem neemt zijn arm vast.
‘Wees niet bang…’ zegt hij. ‘Je bent veilig hier. Ik moet je iets vertellen. Maar laat eerst je vriendin ook binnenkomen…’
Elsje! Waar is Elsje nu ineens naartoe?
Hij kijkt naar de paarse man. Zijn ogen wijzen naar beneden.
Karim moet even slikken. Bij het topje van zijn schoenen, bij het zwarte gat, ziet hij Elsje staan. Ze is piepklein, maar hij herkent haar aan haar witte haar. In paniek kijkt hij om zich heen. Pas nu merkt hij waar hij is. Hij staat aan de andere kant van het deurtje van daarstraks. Hij staat in de boom en het diertje van daarnet is de paarse man die nu naast hem staat!
Hij gaat op zijn knieën zitten en wil Elsje in zijn hand nemen. Maar hij heeft haar nog maar even aangeraakt of ze staat al naast hem. Net zo groot als ze anders is.
‘Hé, waar was jij plots? Je was ineens zomaar verdwenen!’
‘Dat was ik ook, Elsje… Kijk eens waar je bent nu…’
Elsje kijkt om zich heen. Haar mond valt open. Pas nu ziet ze de paarse man.
‘Dat is…  Ik wil hier weg, Karim. Zo snel mogelijk. Dit is... dit is… Kom, weg hier!’
Ze wil door het zwarte gat verdwijnen, maar de paarse man trapt met zijn voet een deur dicht. Elsje bonkt hard tegen het hout en valt naast hem op de grond. Ze legt haar handen op haar voorhoofd.
Karim kijkt met bange ogen naar de paarse man.
‘Sorry, ik moest dit wel doen,’ zegt hij kordaat. ‘Probeer de deur niet meer te openen nu, het lukt je toch niet meer.’
Karim duwt met beide handen zo hard als hij kan tegen het hout. De deur geeft geen krimp. Ook de klink zit vast.
Elsje barst in tranen uit.
‘Wat ben je met ons van plan…?’ zegt Karim met trillende stem.
‘Ik snap dat jullie bang zijn, maar dat ben ik ook. Al meer dan tien jaar ben ik ontzettend bang. En eindelijk vind ik iemand die mij van die angst kan bevrijden. Jullie moeten me helpen…’
Karim ziet dezelfde smekende ogen van daarnet.
‘Helpen waarmee?’
‘Me helpen om jullie te redden.’
‘Je spreekt in raadsels,’ zegt Karim. ‘Ik snap hier niks van.’
‘Volg me naar de hoofdwortel…’
‘Naar wie?’
‘Naar de hoofdwortel. Hij zal jullie alles uitleggen.’
Hij gaat hen voor in het donker. Waar hij voorbijkomt, licht een fel licht op. Karim kijkt omhoog. Hij ziet de takken van de boom die door elkaar in alle richtingen verdwijnen.
Hij legt zijn arm om Elsjes middel.
‘Kom,’ fluistert hij. ‘We moeten wel met hem mee nu…’
De paarse man blijft ineens staan.
‘Oh ja, zei ik jullie al hoe ik heet?’
Beduusd schudden Karim en Elsje van neen.

 

2. 

‘Ach, wat doet het er toe hoe ik heet…’ mompelt de paarse man. ‘Jullie heten Karim en Elsje, hé?’
Hoe weet hij dat nu, vraagt Karim zich af. Hij knikt van ja, maar de paarse man is alweer vertrokken. Waarom zegt hij zijn naam dan niet?
Met hun drieën gaan ze verder door de donkere en vochtige gangen in de aarde. Hier en daar moeten ze klauteren over wortels of kruipen door een smalle tunnel in de grond. De grillige vormen van de wortels maken het Karim en Elsje niet makkelijk om de paarse man te volgen. Hij is groter dan hen, maar heeft geen moeite om snel te lopen. Alsof hij deze weg al honderd keer heeft afgelegd.
Ineens blijft hij staan. Hij zegt niets en wijst met zijn hoofd naar een grote open ruimte die verborgen zit tussen grote wortels en rotte bladeren. Meteen wordt de ruimte ondergedompeld in een helder licht.
Karim laat stomverbaasd zijn ogen over de duisternis zweven. Hij valt achterover van de schrik. Gelukkig kan Elsje hem in haar armen opvangen.
‘Wat is er?’ roept ze bang.
‘Kijk… kijk zelf maar…’ prevelt hij.
Ook Elsje kijkt nu in de verlichte ruimte. Overal liggen mensen die eruitzien als de paarse man in het rond. Ze liggen kriskras door elkaar, hun benen en armen in elkaar verstrengeld. Net als de man dragen ze lange jassen, maar die hebben allemaal een andere kleur. Geen twee jassen zijn dezelfde. Karim wist niet eens dat er zoveel kleuren bestonden.
‘Het lijkt alsof ze slapen…’ zegt Elsje. ‘Wie zijn dit?’ vraagt ze met ogen vol angst aan de paarse man.
‘Ze slapen ook,’ mompelt hij. ‘Sinds drie jaar hebben ze geen oog meer geopend. Soms dromen ze hardop. Dan hoor ik hen roepen, of zingen. Of lachen. Maar ze worden niet meer wakker…’
‘Maar… wie zijn het?’ zegt Elsje opnieuw.
De paarse man staart voor zich uit. Karim ziet een traan over zijn wang glijden.
‘Kom maar mee…’
Zonder nog iets te zeggen haast hij zich weer door de doolhof van wortels, takken en bladeren.
Karims knieën knikken. Waar zijn zij in godsnaam aanbeland? Hij kijkt achterom en neemt Elsjes hand vast.
‘Ben je bang?’ vraagt hij.
‘Natuurlijk ben ik bang…’ zegt ze. ‘Heel erg bang.’
‘Het komt wel goed,’ zegt Karim stilletjes. Maar hij is lang niet zeker of dat wel zo is.
De paarse man wacht hen zwijgend op bij een zware houten deur. Als ze naast hem staan, kijkt hij hen vriendelijk aan. Hé, dat doet deugd! Ineens is Karim wat minder bang.
Dan trapt de man met zijn voet keihard tegen de deur, die met een harde bonk openklapt.
Hij kijkt ernstig hun kant op.
‘We zijn bij de hoofdwortel gekomen,’ zegt hij. Tegelijkertijd knikt hij met zijn hoofd in de donkere ruimte, die ogenblikkelijk weer in een helder licht baadt.
Karim en Elke komen dicht bij elkaar staan en houden elkaars hand stevig vast.
Maar veel is er niet te zien. Alleen een groot hol in zwarte aarde, hier en daar doorstoken met dikke en forse wortels. Die leiden allemaal naar het midden, waar niet meer dan een grote stronk is te zien. Een enorme klomp hout. Eigenaardig genoeg is die niet verlicht. Je kan hem alleen zien omdat de rest van het hol helemaal verlicht is nu.
De paarse man gaat even aan de kant staan om Karim en Elsje door te laten.
‘Ga maar…’ zegt hij.
Karim kijkt hem verbaasd aan.
‘Gaan? Naar waar dan?’
‘Naar de hoofdwortel. Hij wacht op jullie.’
‘Op ons?’
‘Ja, op jullie. Al drie jaar wacht hij. Eindelijk zijn jullie er.’
Ze blijven trillend op hun benen staan. De paarse man duwt tegen Karims rug.
‘Komaan, ga dichter. Maak hem niet boos!’
‘Maar...’
‘Ga nu!’

Bevend staan Karim en Elke bij de hoofdwortel. Ze weten niet goed waar ze moeten staan, want hij heeft geen gezicht. Staan ze nu voor, naast of achter hem?
Dan klinkt ineens een heel zachte, vriendelijke stem. Karim denkt meteen aan juffrouw Olga. Die heeft ook zo’n mooie stem. Alleen ziet ze er veel leuker uit dan deze knoest.
‘Dag Karim en Elsje. Jullie lieten me wel heel erg lang wachten. Maar ik ben blij dat jullie er zijn…’
‘Euhm… Dag,’ fluisteren Karim en Elsje.
‘Jullie hoeven niets te zeggen, laat dat maar aan mij over. Ik zeg wel wat jullie moeten doen.’
‘Oké…’ zegt Karim. De paarse man legt brutaal zijn vinger op zijn mond. Karim ziet hem driftig van neen schudden.
‘Jullie bovenmensen hebben het leven van de twiggies helemaal verstoord…’ begint hoofdwortel.
Karim zoekt vanwaar de stem komt. Ergens uit de wortel, dat is hij nu wel zeker. Maar hij ziet geen mond.
‘De twiggies hadden een prachtig bestaan. Hier onder de bomen van het park hadden we ons eigen land. In de holen bouwde elke twiggie zijn eigen kamertje. Maar er waren ook speelzalen, feestzalen, leeshoeken en knuffelkamers. Onder het kasteel was er zelfs een zwembad met water dat altijd warm en helder was. En tijdens de vakantie speelden we met de bovenmensen…’
‘De bovenmensen... dat zijn jullie,’ fluistert de paarse man stilletjes in Karims oor.
Hoofdwortel vertelt onverstoord verder.
‘Maar die tijden zijn lang voorbij. Jullie bovenmensen maakten onze wereld kapot. Jullie goten de grond vol beton en overal zitten nu buizen en leidingen. Onze holen stortten in en vele twiggies verdronken in water, stikten door gas of schrokken zich dood aan de elektriciteitsleidingen. Maar dit was lang niet het ergste…’
Karim en Elsje luisteren met open mond naar wat de hoofdwortel vertelt.
‘Het ergste is… Jullie zijn er niet meer. In de bovenwereld zijn geen kleine bovenmensen meer. Er rijden overal auto’s en motoren. Er klinkt harde muziek en er ronken grote machines. Maar er wordt niet meer gespeeld en verteld. Wie weet nog wat bosgeesten zijn? Wie zoekt nog naar boselfen en toverprinsen? Wie gelooft nog in kabouters en paddenstoelen als kastelen? De twiggies verveelden zich te pletter. Zij die niet door asfalt en beton werden verpletterd, gingen ten onder aan verveling. Boven was er niemand meer om te spelen…’
Het blijft even stil. Karim en Elsje kijken elkaar onwennig aan.
‘Jullie hebben de twiggies gezien. Ze zijn ingedommeld in de grote zaal. Ze hebben nog wel vrolijke kleuren, maar de lach is van hun gezicht verdwenen. Ze hadden nergens nog zin in. Daarom kropen ze dicht bij elkaar en vielen in een slaap waaruit ze nu al jaren niet ontwaken. Vroeger klonk overal gelach, werd er gezongen en gespeeld, ging het er vrolijk aan toe. Nu is het hier stil. De twiggies vielen in slaap van verveling en verdriet.’
Karim snapt wat er is gebeurd. Nog niet eens zo lang geleden kwam hij hier ook vaker met zijn pa spelen. Er waren toen ook veel meer kinderen. Ze maakten kampen in de bomen en speelden spannende bosspelen. Maar nu is het veel stiller geworden. De grote parking maakte het leukste stukje van het bos kapot. Rond de vijver verscheen een traliehekken. De hoogste bomen werden gekapt. En het kasteel is in verval en mag niet meer betreden worden.
‘Alleen jullie spelen hier nog, Karim en Elsje. Jullie verstoppen zich tussen de bomen, hollen door het bos en spelen voetbal op het veld. Jullie zijn de overblijvers en de laatste kans om de twiggies uit hun slaap te halen. Misschien krijgen ze dan weer zin om te leven en wordt het ook voor de bovenmensen weer veel leuker in het bos.’
Karim is in de ban van wat de hoofdwortel vertelt. Hij kijkt naar Elsje. Haar ogen fonkelen.
‘Ik snap het wel…’ zegt Karim. ‘Maar hoe moeten wij dat dan doen?’
De hoofdwortel zucht.
‘Helaas… Ik heb geen idee. Ik zie wat er gebeurt, maar ik ben niet sterk genoeg om er iets aan te doen. Ik kan ook niet weg van deze plaats. Ik zit voor eeuwig vast in de grond. Maar… Ik heb iets dat jullie misschien kan helpen.’
Meteen komt de paarse man tot bij de hoofdwortel. Hij buigt zich en haalt iets uit een verborgen holte.
‘Dit is de sleutel van het kasteel. Met de sleutel kunnen jullie in alle kamers en zalen. En elke vervallen ruimte waar jullie komen, zal weer schitteren als voorheen. De ruïne zal veranderen in het schitterende kasteel dat er vroeger was. Met de sleutel in de hand kunnen jullie de prinsen en prinsessen, de ridders en jonkvrouwen en de tovenaars en kunstenmakers van vroeger weer tot leven wekken. Het haardvuur zal weer branden in alle kamers.’
Opeens valt de sleutel voor Karims voeten. Hij neemt hem voorzichtig op. Hij is zwaar en koud.
‘Alleen jullie beschikken over de toverkracht. Probeer de twiggies weer tot leven te brengen. Laat kinderen spelen en doe het bos weer leven.’
Karim staat trots voor de hoofdwortel. Hij voelt zich ineens heel belangrijk.
‘Je kan op ons rekenen!’ zegt hij wat overmoedig.
‘Dat dacht ik al de hele tijd. Het duurde lang voor jullie mij vonden. Maar vandaag is de dag. Ga nu, Karim en Elsje. En vergeet niet: de toverkracht hebben jullie alleen in het kasteel. Veel geluk…’
Op hetzelfde moment gaat het licht uit en is er een felle windscheut. Er is geen spoor van de hoofdwortel meer te zien.
Karim en Elsje wrijven in hun ogen. Dan zien ze dat ze weer voor de boom in het bos staan. Waar zijn die twiggies nu? Waar is de hoofdwortel? Waar is de paarse man? Dit was toch niet gewoon een droom!
Karim buigt door zijn knieën. Jawel, hij ziet het kleine deurtje in de boom. En pas nu merkt hij de grote sleutel aan zijn voeten.
Hij kijkt naar het vervallen kasteel aan de andere kant van het bos.
‘Kom…’ zegt hij tegen Elsje. 

 

3. 

Karim en Elsje kijken van ver naar het vervallen kasteel. Hier woonde vroeger een rijke baron, zei vader eens. Hij had geen kinderen en na zijn dood bleef het gebouw leeg staan. Grote stukken van het dak zijn ingestort en de meeste vensters zijn aan diggelen geslagen. Maar het voorste deel van het gebouw staat er nog. Er is een grote inkomdeur met mooie versieringen. Aan beide kanten van de deur zitten hoge ramen, maar door modder en stof kun je er nauwelijks nog door kijken.
Karim aarzelt als hij de sleutel in het oude roestige slot van de deur wil steken.
‘Mogen wij dit wel doen?’
Elsje kijkt hem verbaasd aan.
‘Het is toch wat de hoofdwortel ons vroeg? Het kasteel binnengaan en alle kamers en zalen weer doen schitteren.’
‘Ik weet het wel,’ zegt Karim. ‘Maar mag het wel? Het kasteel is toch niet van ons. Misschien komt de politie wel langs. Of boze buren die zien dat we binnengaan…’
Ineens kijkt hij paniekerig om zich heen.
‘Soms zijn er camera’s in de buurt van zo’n gebouw. In het politiekantoor staren agenten de hele dag naar een computerscherm. Ze zien alles wat je doet. Hé, misschien zijn ze al onderweg naar hier…!’
Karim haalt de sleutel snel weer uit het slot.
‘Ik weet niet of ik dit wel durf hoor, Elsje. Eigenlijk weten we niet eens wie die hoofdwortel is. Kunnen we hem wel vertrouwen? Misschien is hij een misdadiger. Misschien is het een valstrik en worden we zelf wel opgepakt. Misschien liggen we straks ook wel in dat donkere hol tussen de wortels van de boom!’
Elsje zucht. Ze komt op hem af en rukt de sleutel uit zijn hand.
‘Bangerik! Natuurlijk is die boomwortel geen bedrieger. Hij heeft ons nodig! We moeten de twiggies redden en die reddingsactie begint hier en nu in het kasteel!’
Karim laat zich de sleutel ontfutselen en zet een stap achteruit als Elsje die weer in het slot steekt. Het kost haar moeite om hem om te draaien. Het slot is roestig en de sleutel zwaar.
‘Yes…!’
Met een doffe plof springt het slot open. Elsje kijkt even achterom.
‘Kom je mee?’
Ze duwt voorzichtig de deur open. Een vieze geur dringt haar neus binnen. Het ruikt naar mos en dode ratten. Althans, dat denkt ze, want ze weet eigenlijk niet goed hoe dode ratten ruiken.
‘Bwah!’ roept Karim nu ook. ‘Wat een stank!’
Met hun vingers rond hun neus duwen ze de deur helemaal open en zetten enkele stappen in de inkomhal. Het is er erg donker. Maar de ruimte is heel groot en het plafond mooi versierd.
Aarzelend gaan ze naar binnen. Zodra de deur dichtvalt, licht de zaal helemaal op. Ineens werpen wel honderd fijne fonkelende lampjes een helder licht in de zaal. Er staan mooie houten kasten vol glinsterende glazen en borden en op zuiltjes tegen de muur staan porseleinen vazen te glanzen in het licht.
Helemaal verstomd kijken Karim en Elsje in het rond.
Elsje steekt haar hand uit.
‘Kom,’ zegt ze. ‘Daar verder is weer een deur.’
Karim neemt haar hand en volgt haar terwijl zijn ogen door het gebouw zweven. Waar komen al dat licht en dat sierlijk huisraad ineens vandaan?
Ook de deur die naar de andere ruimte leidt, zit op slot.
Elsje neemt de sleutel, opent de deur en duwt die voor zich uit.
Ze moeten even wennen aan de duisternis, maar ze zijn amper binnen en de zaal wentelt zich in een feestelijk licht. Er staan mooie banken waarop wel honderd mensen kunnen zitten aan een zware houten tafel met mooie tekeningen op het tafelblad en sierlijke krullen aan de poten. De mooie kasten tegen de muur zijn volgestouwd met boeken met kleurrijke ruggen en naast de ramen hangen stijlvolle schilderijen. In het midden is er een grote haard met houten blokken en knetterend vuur.
Sprakeloos lopen Karim en Elsje op de toppen van hun tenen door de zaal. Ze komen bij een andere deur en weten dat ze ook nu weer zullen worden verrast.
Elsje opent de deur en een helder licht floept aan van zodra ze een stap in de zaal zetten. Weer zien ze een grote ruimte, gehuld in een helder licht, gevuld met mooie meubelen en versierd met prachtige schilderijen. De zaal daarnaast is de keuken waarin de potten en pannen en het zilveren bestek glinsteren in de glazen kasten. Daarnaast komen ze in een slaapkamer met een heerlijk hemelbed waarop wel twintig vrolijke knuffeldieren zitten. De deur in de slaapkamer leidt naar een grote binnentuin vol bloemen en hoge bomen met slingers tussen wel tien boomhutten en met in het midden speeltuigen rond een grote zwemvijver.
Karim en Elsje vallen van de ene verbazing in de andere. Ze komen al jaren in het park en ze konden niet vermoeden dat achter de grijze muren en donkere ramen van het oude kasteel zo’n schitterende plaatsen waren verborgen. Of komt het dan toch door de wonderlijke sleutel die ze van de hoofdwortel kregen?
Op het einde van de tuin die groter lijkt dan het park zelf is er een klein houten poortje. Ook hier past de sleutel in het slot.
Hé, dit is schrikken. Ineens staan ze op het saaie asfaltpad dat naar de parkeerplaats naast het park leidt. Verder is er niemand te zien. Zelfs de eenden en zwanen in de vijver laten niets van zich horen.
‘Hoe saai hier,’ zegt Karim.
‘Ja hé,’ zegt Elsje een beetje triest. ‘Kom, we keren terug. Ik wil het kasteel verder verkennen!’
Karim knikt en wacht tot ze het deurtje weer opent.
Neen! De tuin is er niet meer! Wat ze zien, is een grote vieze koer. Omgevallen muren, resten bakstenen en dakpannen en verweerde houtbalken liggen slordig over elkaar. Twee ratten snellen weg over de stenen.
‘Hoe komt dit nu?’ roept Elsje. ‘Waar is die tuin nu?’
Ook Karim snapt er niks van. Hij grijpt naar de sleutel in Elsjes handen en loopt haastig naar de deur van de slaapkamer. Hij vreesde het al. De prachtige slaapkamer vol kleuren en knuffels is verdwenen. Hij ziet alleen een oude bergplaats waarin een oude bestelwagen staat en het ruikt naar olie en roestend ijzer.
Hij gaat ontgoocheld zitten. Elsje komt bij hem staan.
‘Misschien moeten we maar eens kijken in de andere kamers. Die meubels kunnen toch niet zomaar verdwenen zijn…!’
‘Ach, Elsje… Alles is weg. Het kasteel is niks meer dan een vervallen gebouw. We beeldden het ons allemaal maar in. Hoe kon dat ineens?’
‘Wat we zagen was toch echt? Neen hoor, Karim. Je geeft het veel te snel op. De hoofdwortel gaf ons een toversleutel om de twiggies te redden. Er moet iets zijn. Hebben we hem niet goed begrepen misschien?’
Elsje gaat naast Karim zitten.
‘Dankzij deze sleutel zou de ruïne weer veranderen in een kasteel, zei de hoofdwortel…’
‘Ja, dat was wel zo. Maar alleen die ene keer…’
Elsje denkt diep na.
‘We vergeten iets, denk ik. Maar wat?’
Opeens springt Karim recht. Hij houdt zijn hoofd tussen zijn handen.
‘Ik weet het!’ roept hij. ‘Ik weet wat de hoofdwortel wou zeggen!’
Elsje kijkt hem vol verwachting aan.
‘Wel… Met de sleutel moesten we niet alleen van de ruïne een kasteel maken. Hij zei ook…’
Elsje laat hem niet uitspreken.
‘Dat is het! We moesten ook de prinsen en prinsessen, de ridders en de jonkvrouwen en de tovenaars en de kunstenmakers weer tot leven wekken!’
Karim schiet in de lach.
‘Dat is het! Dat is ook normaal, toch! Een kasteel en een tuin waar niemand is… Wat heb je daar aan?’
‘Niks!’ lacht Elsje nu ook.
Maar dan worden ze ineens weer stil en kijken ze elkaar aan.
‘Denk je wat ik denk?’ vraagt Karim plots ernstig.
‘Ik denk het,’ zegt Elsje. Ze kijken om zich heen. Waar moeten ze die prinsen en prinsessen, tovenaars en kunstenmakers vandaan halen? Ze kijken in het rond. Niemand te zien… In de verte horen ze alleen het geronk van voorbijrijdende auto’s en vrachtwagens.
Ontgoocheld kijken ze naar elkaar.
‘Dit komt niet goed,’ zegt Karim. ‘De hoofdwortel heeft makkelijk praten. Hij zegt wat we moeten doen, maar niet hoe. Met die toversleutel kunnen we het kasteel wel mooi maken, maar sprookjesfiguren die kun je niet zomaar toveren…’
‘We moeten de kinderen uit hun huis halen. Misschien zitten ze nu voor de televisie. Of zitten ze te gamen of op hun smartphone…’
'Konden ze maar zien hoe mooi dit kasteel kan zijn!’
‘Dan kwamen ze wel… Er zit niks anders op. We gaan overal aanbellen. Iedereen naar buiten, iedereen naar het kasteel!’
’Dat zijn wel heel veel kinderen, hoor.  Hier zijn we dagen zoet mee…’
‘Dat is zo. Iemand moet ons helpen…’
‘Maar wie?’
Ineens horen ze geritsel in de struiken aan de overkant van het pad. Het lijken wel naderende voetstappen. En nu is er ook gefluister.
Ze kijken elkaar onbegrijpend aan.
Ineens komen wel twintig twiggies uit het struikgewas. Ze wrijven zich de ogen uit en kijken nog wat verdwaasd in het rond. De paarse twiggie in de eerste rij blijft stokstijf staan en wijst naar het kasteel.
Ook Elsje en Karim kijken in die richting. Hé, kijk eens! Nu komt er wel weer licht uit de ramen! Van waar ze hier staan, kijken ze binnen in de haardzaal en zien ze de kleurrijke ruggen van de boeken.
Opgewonden beginnen de twiggies door elkaar te praten. Maar ineens worden ze muisstil en kijken met zijn allen naar de paarse twiggie die voor Karim komt staan.
Hij maakt een diepe buiging en spreekt met een diepe, plechtige stem.
‘We gaan jullie helpen. Jullie brachten het kasteel weer tot leven. Dat geeft ons moed. Nu gaan we samen bewoners zoeken. Loop maar mee…’
‘Maar…’ stotteren Karim en Elsje tegelijk. ‘Hoe…’
‘Laat het maar aan ons over…’
Verbouwereerd lopen Karim en Elsje achter de paarse twiggie aan. Achter hen lopen de andere twiggies druk vertellend en luidop lachend.
Karim kijkt naast zich door het grote raam van de haardzaal. Hé, ziet hij daar een man voorbijkomen? En draagt hij echt een kroontje? Karim probeert beter te kijken, maar de ramen zijn te hoog en de paarse twiggie maakt haast.
Ze komen nu voorbij de slaapkamer. Ziet hij die knuffels in het rond vliegen? En hoort hij kinderstemmen achter de ramen?
Hij kijkt achterom. Net op dat moment zwaait het poortje van de kasteeltuin open. Wel tien kinderen die hij kent uit de klas van juffrouw Olga lopen naar buiten. Ze zijn verkleed als ridder en stormen luid roepend en met hun zwaard boven hun hoofd het park in.
Zou Elsje het ook gezien hebben? Maar Karim ziet haar niet. Zijn ogen dwalen in het rond en plots ziet hij haar. Twee twiggies staan gebogen voor het raam van de keuken. Elsje staat op hun rug en kijkt naar binnen.
‘He, Karim, moet je zien! De twiggies zijn aan het werk in de keuken!’
Karim staat stil. Hij snuffelt met zijn neus. Wafels!
Dan vliegt ineens de grote deur van het kasteel open. Verbluft ziet Karim juffrouw Olga naar buiten komen. Ze ziet eruit als een prinses.
‘En nu allemaal naar buiten!’
Een hels kabaal komt uit het kasteel. Wel honderd kinderen stormen naar buiten. Karim herkent veel jongens en meisjes uit zijn school. Ze zijn allemaal verkleed. Je kan het niet gek genoeg bedenken waarin ze zijn verkleed. In geen tijd is het park vol leven.
Karim zoekt de andere twiggies. Maar die zijn er niet meer. Hij speurt de omgeving af. Even verderop ziet hij bij de grote beuk naast het kasteel gewriemel op de grond.
Karim slikt.
‘Kom,’ zegt hij tegen Elsje. Ze lopen naar de boom en gaan op hun knieën zitten. De kleine harige diertjes lopen vrolijk in het rond.
‘Als je heel goed kijkt, kun je zien dat ze een vreugdedansje maken…’ zegt Elsje.
Karim kijkt blij naar de dansende twiggies en naar de spelende kinderen in het park.
‘Kom,’ zegt hij tegen Elsje. ‘We gaan ook spelen!’
Hij kijkt nog een laatste keer naar de twiggies. De paarse twiggie is dichter bij hem komen staan.
Als Karim heel goed luistert, hoort hij hem ‘dank je’ zeggen. En hij knipoogt.

 

(zomer 2017)